In een eerder blogbericht belichtten we in algemene termen het voorontwerp van wet van 29 april 2026 tot wijziging van diverse bepalingen inzake overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten. In dit bericht lichten we drie wijzigingen uit die de praktijk van aanbestedende overheden en inschrijvers wellicht het meest zullen voelen.
1. Context
Het voorontwerp werd op 30 april 2026 goedgekeurd door de ministerraad en ligt thans voor advies bij de Raad van State. De tekst beoogt een eenvoudiger en efficiënter kader, met een betere toegang voor KMO’s.
Finale goedkeuring en publicatie worden in het najaar van 2026 verwacht, waarna nog overgangstermijnen zijn voorzien. Op een aantal punten moeten nog uitvoerings-KB’s volgen. Wat hierna volgt is dus nog niet van kracht en kan dus nog niet toegepast worden in lopende procedures.
2. Procedure ‘aanvaarde factuur’: verruimd en versoepeld
De procedure van de opdrachten van beperkte waarde (artikel 92 van de Wet van 17 juni 2016 — hierna ‘WOO’) wordt grondig herzien. De drempel wordt opgetrokken van 30.000 EUR naar een geraamde waarde lager dan 75.000 EUR en een goed te keuren uitgave lager dan 90.000 EUR (excl. btw).
Daarnaast wordt een geheel nieuwe categorie ingevoerd: de opdrachten van uiterst beperkte waarde (nieuw artikel 92/1 WOO). Dit zijn opdrachten met een geraamde waarde lager dan 3.000 EUR of een goed te keuren uitgave lager dan 3.600 EUR.
3. Versoepeling van de elektronische handtekening
De regels rond de elektronische handtekening worden wettelijk verankerd in een nieuw artikel 14/4 WOO.
De default-regel blijft dat de finale offerte wordt ondertekend met een gekwalificeerde elektronische handtekening (eIDAS), maar de aanbestedende overheid kan in de opdrachtdocumenten afwijken en bijvoorbeeld een geavanceerde of zelfs gewone elektronische handtekening toelaten.
De grootste praktische nieuwigheid is de verplichte regularisatieprocedure. Een ontbrekende of onregelmatige handtekening leidt niet langer automatisch tot substantiële onregelmatigheid: de aanbestedende overheid moet de inschrijver de mogelijkheid bieden om te regulariseren via het bestaande indieningsrapport.
4. Mededeling van de plaats in de rangschikking
De huidige verplichting uit artikel 13 WOO om onmiddellijk na de opening van de offertes de individuele en voorlopige plaats in de rangschikking aan elke inschrijver mee te delen, wordt op twee punten uitgebreid (artikel 4 van het voorontwerp).
Het toepassingsgebied wordt verruimd: voortaan geldt de verplichting voor alle openbare en niet-openbare procedures waarin de prijs het enige gunningscriterium is, dus ook boven de Europese drempels. De aanbestedende overheid moet bovendien niet enkel het voorlopige klassement meedelen, maar ook de prijs van de laagste offerte (en, indien zij dat relevant acht, van de hoogste).
Tegelijk wordt bepaald dat het proces-verbaal van opening in geen enkel geval nog wordt meegedeeld aan de inschrijvers tijdens de plaatsingsprocedure.
Meer weten?
Volg vanaf 3 juni 2026 ons actua webinar De uitbreiding van de procedure aanvaarde factuur en andere versoepelingen van de wet overheidsopdrachten in 2026.
Neem gerust contact op voor advies op maat.

